Twee jaar geleden was er veel ophef over de euthanasie van de 17-jarige Milou als gevolg van psychisch lijden. Een groep psychiaters schreef een brandbrief naar het OM en in de Tweede Kamer werd een motie ingediend om een tijdelijke stop in te voeren op euthanasie voor mensen onder de dertig jaar. Hoewel deze motie niet werd aangenomen, is de discussie met 30 euthanasiemeldingen bij jongeren in 2024 urgenter dan ooit.

Binnen de psychiatrie leeft de zorg of het aanbieden van euthanasie als behandeloptie het herstel niet in de weg zit. Waar progressieve stemmen zoals DWARS pleiten voor het schrappen van euthanasie uit het Wetboek van Strafrecht, groeit bij anderen de angst voor normalisatie.

In dit artikel onderzoeken we de normalisatie van euthanasie bij psychisch lijdende jongeren door eerst het fundamentele spanningsveld en de huidige wettelijke kaders te schetsen. Aan de hand van het recente wetsvoorstel over decriminalisering wegen we vervolgens de argumenten rondom deze normalisatie, om af te sluiten met een kritische reflectie op het DWARS-standpunt.

Zelfbeschikkingsrecht en waarde van het leven

Het debat over euthanasie en de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht berust op een fundamenteel spanningsveld tussen zelfbeschikking en zorgplicht. Aan de ene kant staat in Nederland het zelfbeschikkingsrecht hoog in het vaandel. Voorstanders van euthanasie vinden dat mensen vrij moeten zijn om te kiezen op welk moment zij niet meer willen leven. Progressieve organisaties, waaronder DWARS, stellen hierbij dat de overheid of een arts geen uiteindelijke zeggenschap over dit hoogst persoonlijke besluit horen te hebben. Ook voeren zij veiligheid en waardigheid aan als argumenten: zij betogen dat men mensen met een persisterende doodswens beter een waardig medisch afscheid kan bieden dan hen te dwingen tot een vaak traumatische suïcide.

Voor tegenstanders is de waarde van het leven een belangrijk argument. Artsen moeten bij hun beroepseed zweren om een patiënt te helpen en bovenal niet te schaden. De rol van de arts als hulp bij sterven voelt voor hen niet in lijn met wat zorg betekent. Deze overtuiging over het beschermen van het leven gaat dieper dan alleen de medische ethiek: sommigen zijn ervan overtuigd dat het niet aan een individu is om te kiezen wanneer het leven eindigt, maar dat men het leven zijn beloop moet laten. Vanuit dit perspectief heeft de staat de morele plicht om het leven te beschermen, juist wanneer iemand door psychisch lijden die waarde zelf niet meer ziet.

Hoe werkt euthanasie nu?

In artikel 293 en 294 van het Wetboek van Strafrecht is euthanasie en hulp bij zelfdoding in Nederland verboden. Een arts is echter niet strafbaar wanneer die euthanasie verleent op een manier die voldoet aan een aantal zorgvuldigheidseisen in de Euthanasiewet. In de voorbereiding van euthanasie onderzoekt de arts bijvoorbeeld of het lijden uitzichtloos en ondraaglijk is, of er geen alternatieve behandeling mogelijk is, en of de patiënt een vrijwillig en weloverwogen verzoek doet.

Omdat euthanasie in principe strafbaar is gesteld, kan het overlijden van de patiënt niet worden gekwalificeerd als ‘natuurlijke doodsoorzaak’. Daarom moet de arts een melding maken bij een lijkschouwer, die de doodsoorzaak vervolgens vaststelt. Daarnaast kijkt een Regionaal Toetsingscollege Euthanasie na afloop of de arts heeft gehandeld in lijn met de zorgvuldigheidseisen van de Euthanasiewet. Als dit niet zo is, kan dit leiden tot strafrechtelijke vervolging of een klacht bij een tuchtcollege.

Op 9 oktober 2025 hebben kamerleden van D66 en Volt een wetsvoorstel ingediend om de strafbaarstelling van euthanasie uit het Wetboek van Strafrecht te halen. Als dit wetsvoorstel wordt aangenomen, is euthanasie wel een ‘natuurlijke doodsoorzaak’, hoeft een arts geen melding meer te maken bij een lijkschouwer, en wordt het handelen van de arts alleen getoetst door een Regionaal Toetsingscollege Euthanasie en het medische tuchtrecht.

Heeft het wetsvoorstel afschaffing strafbaarstelling euthanasie invloed op normalisatie?

Een belangrijke vraag is of het wetsvoorstel van D66 en Volt invloed gaat hebben op de normalisatie van euthanasie bij artsen en patiënten als het wordt aangenomen. De indieners van het wetsvoorstel stellen dat de strafrechtelijke bepalingen als een ‘zwaard van Damocles’ boven de arts hangt die euthanasie wil verlenen. Dit beperkt artsen. Het doel van het wetsvoorstel is dan ook om deze beperking weg te halen, en daarmee de artsen meer vrij te laten in het verlenen van euthanasie. De indieners stellen ook dat het doel van het wetsvoorstel niet is om het stigma op euthanasie te verminderen, maar dat dit als ‘bijvangst’ een positief neveneffect kan zijn. Het zou goed kunnen dat met dit wetsvoorstel dit stigma voor artsen afneemt. Sommige artsen zullen misschien geen euthanasie willen verlenen omdat het in het Wetboek van Strafrecht staat. Ook de verplichting voor een arts om een melding bij een lijkschouwer te maken omdat euthanasie geen ‘natuurlijke doodsoorzaak’ is kan daar invloed op hebben.

Het verwijderen van euthanasie uit het Wetboek van Strafrecht zou ook ertoe kunnen leiden dat patiënten vaker kiezen voor euthanasie. Er valt iets voor te zeggen dat er een toenemende trend is dat patiënten het beeld hebben dat zij een ‘recht’ op euthanasie hebben, en artsen een ‘plicht’ hebben om euthanasie uit te voeren. Zo hebben in 2025 drie medische tuchtcolleges en een klachtencommissie klachten behandeld tegen een arts die weigerde euthanasie uit te voeren. Weliswaar onderstrepen de indieners van het wetsvoorstel dat een arts niet tot medewerking bij euthanasie kan worden verplicht, toch ervaren sommige artsen toenemende druk van patiënten om euthanasie te verlenen.

Er worden jaarlijks wel al een groot aantal euthanasieën verleend (zo’n tienduizend in 2024), terwijl er zelden tuchtrechtelijk (zes keer in 2024) of strafrechtelijk wordt ingegrepen (sinds de Euthanasiewet is aangenomen maar één keer, zonder veroordeling). Ondanks dat blijft het belangrijk om bewust te zijn van de gevolgen van normalisatie van euthanasie bij voorstellen om euthanasiewetgeving te hervormen.

Normalisatie en destigmatisering

Voorstanders van normalisatie van euthanasie argumenteren dat deze de angst voor vervolging voor het uitvoeren van euthanasie zal verminderen, waardoor artsen eerder zullen meewerken aan een euthanasieverzoek. Dit verkort de ellenlange wachtlijsten voor een euthanasietraject en geeft meer ruimte aan vaste behandelaren om de euthanasie uit te voeren. Dit is een medisch veiligere en meer menselijke manier van euthanasie, omdat de patiënt en de behandelaar elkaar al langer kennen.

Ook stellen zij dat het normaliseren van euthanasie bij psychische klachten cruciaal is voor het mogelijk maken van een gelijkwaardige behandeling van zowel fysieke als mentale klachten. Erkennen dat een psychische aandoening verder leven ook onmogelijk kan maken is volgens hen een belangrijke stap. Normalisatie van een wens om te sterven kan volgens hen ook zorgen dat mensen dit eerder bespreken met hun behandelaar, waardoor er ook nog eerder iets aan te doen is.

Daarnaast betogen zij dat het juridisch vervolgen van artsen niet passend is, aangezien het hier om medische kwesties gaat. Als er fouten gemaakt worden door een arts hierin zou dat volgens hen voor het medisch tuchtcollege moeten komen. De politiek moet volgens hen niet voorschrijven aan experts hoe zij moeten handelen.

Tenslotte wordt destigmatisering aangehaald als belangrijk voordeel van normalisatie. Door destigmatisering zullen patiënten die ondraaglijk lijden minder snel negatieve reacties ontvangen als gevolg van hun keuze voor euthanasie en zich meer begrepen voelen in de maatschappij. Hetzelfde geldt voor de artsen die hen hierbij assisteren.

Zorgen rondom normalisatie

Tegenstanders van normalisatie zijn bang dat euthanasie aanbieden een reguliere behandeling in de weg kan staan. Zij zijn bang dat als euthanasie als serieuze optie wordt gezien, mensen in een benarde situatie misschien eerder geneigd zijn een uitweg uit de pijn te zoeken, in plaats van een extreem lang en moeilijk traject aan te gaan om er nog uit te komen. Het normaliseren van euthanasie via sociale media kan volgens hen hierbij een besmettend effect hebben, waarbij jongeren elkaar als het ware ‘aanmoedigen’.

Het is namelijk, zo betogen zij, moeilijk om nog hoop te hebben als je lijdt aan psychische problematiek. De voorwaarde van wilsbekwaamheid is dan dus enigszins aangetast omdat je door je stoornis niet meer volledig objectief kan redeneren over je eigen situatie. In het geval van jongeren is dit ook nog versterkt door het feit dat hun brein nog sterk in ontwikkeling is. Tot je 32e levensjaar is je brein nog heel sterk in ontwikkeling, daarna vertraagt deze ontwikkeling enigszins. Dit betekent dat net als het vermogen om een objectieve beslissing te maken, ook de uitzichtloosheid van het lijden in twijfel getrokken kan worden bij jongeren. Omdat je hersenen nog in ontwikkeling zijn en er ook nog nieuwe behandelingen kunnen worden uitgevonden, is het nooit helemaal uitgesloten dat er nog herstel kan plaatsvinden.

Ook stellen zij dat een normalisatie snel kan omslaan in aanmoediging. Mensen die euthanasie krijgen ontvangen vaak complimenten over dat het een dappere keuze is, of dat het fijn is dat zij uit hun lijden verlost kunnen worden. Bij mensen die al langere tijd psychisch lijden en zorg nodig hebben, kan best een gevoel van mensen tot last zijn ontstaan. Normalisering van euthanasie kan dan best snel als aanmoediging worden ervaren.

Ten slotte zijn tegenstanders van normalisatie bang dat sommige mensen die een euthanasieverzoek doen, enkel in die positie zijn beland vanwege een falend zorgsysteem, of misschien wel van een falende maatschappij. Zij stellen dat wanneer deze patiënten kiezen voor een levenseinde, zij als gevolg van een niet-passende zorg en samenleving de dood in gejaagd worden.

Een complexe balans

De casus van Milou is zeer aangrijpend en het is dan ook logisch dat dit nationaal veel reacties oproept. Vanwege de ongelofelijke complexiteit kunnen wij niet een oordeel vellen over dit individuele geval, maar deze casus illustreert wel hoe complex euthanasie is bij jongeren met psychische problemen. We zien dat er redenen zijn om je zorgen te maken over normalisatie van euthanasie en deze doelgroep.

De complexiteit vraagt dan ook om zorgvuldig te zijn. Zelfbeschikkingsrecht is zeer belangrijk voor de progressieve waarden van DWARS. Toch is het belangrijk om bewust te blijven van de dynamiek rondom de normalisatie van euthanasie in de context van jongeren met psychische problematiek. Moeten wij onze huidige formulering van onze standpunten over euthanasie wel zo houden als we weten dat de psychische en biologische ontwikkelingen van jongeren nog veel langer duren?

We moeten daarom, denken wij, zoeken naar een balans tussen de bescherming van onze jonge generatie en van het recht op een waardig einde van het leven. Dit vraagt om nuance en open debat. Bij zaken die zo gevoelig zijn als deze, is het belangrijk dat principes niet ten koste gaan van zorgvuldigheid en daarmee mensenlevens.

Denk je aan zelfdoding? Neem dan 24/7 gratis en anoniem contact op met 113 Zelfmoordpreventie via 0800-0113 of chat op 113.nl.