In de nacht van 20 op 21 mei 2024 werd in Vlaardingen een meisje van 10 jaar zwaargewond opgenomen in het ziekenhuis. Al gauw werd duidelijk dat het meisje maandenlang zwaar was mishandeld door haar pleegouders. Door het hele land was er ophef: mensen hielden een herdenking in Vlaardingen, de politiek reageerde verontwaardigd en de overheid ging de vraag onderzoeken die iedereen stelde: hoe kon dit zo fout gaan?

Spoiler: er werd niet geluisterd naar het meisje. Dát is waarom het fout ging. Uit onderzoek van de Inspectie van Justitie blijkt dat omwonenden, familieleden en zelfs het meisje zelf meerdere meldingen hadden gedaan dat ze werd mishandeld in het pleeggezin. De lokale jeugdzorg deed er echter niks mee. Sinds dat dit een jaar geleden in het nieuws is gekomen heb ik me afgevraagd of dit een incident was, of dat het een patroon is dat de jeugdzorg slecht luistert naar de kinderen die erin zitten. Er zijn hier amper onderzoeken over geschreven, dus toen ik mijn bachelorscriptie dit voorjaar moest schrijven besloot ik er zelf maar een begin aan te maken.

Uhm, wat is de jeugdzorg ook alweer?

Voor de duidelijkheid, in mijn scriptie heb ik alleen gefocust op de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rotterdam-Rijnmond (GRJR) (in tegenstelling tot DWARS Rotterdam-Rijnmond valt de regio Dordrecht hier niet onder), maar de resultaten van mijn onderzoek vertellen een breder verhaal dat gehoord moet worden, en hopelijk kan dit verhaal als inspiratie gelden om in andere jeugdzorgregio’s hetzelfde te onderzoeken!

Maar hoe dan ook, even de politieke achtergrond van hoe de jeugdzorg in elkaar zit. DWARS heeft een hele mooie poster met de tekst ‘niemand meer in de gesloten jeugdzorg’ gemaakt, maar de jeugdzorg is veel meer dan dat. In de meeste gevallen hebben kinderen maar kort contact met de jeugdzorg, vaak via de Ambulante Jeugdhulp<!--StartFragment -->De ambulante jeugdhulp is in de eigen omgeving van een kind. De jeugdzorg komt dan bijvoorbeeld soms langs om hierover praten, of om in een gezin problemen op te lossen.<!--EndFragment -->. Wanneer hulp op deze manier niet helpt, worden kinderen vaak uit huis geplaatst en dan komen ze in een groepshuis of een pleeggezin te wonen (zoals ik!). Daarnaast is er ook nog de jeugd-GGZ, de jeugdreclassering<!--StartFragment -->De jeugdreclassering komt ter plaatse als een jongere iets strafbaars heeft gedaan. Het doel van de jeugdreclassering is dan om de jongere eigenlijk ‘terug in de samenleving’ te krijgen en een positief toekomstperspectief te geven.<!--EndFragment --> en dus de gesloten jeugdzorg – voor nu nog. Ohja, en het wijkteam bestaat. Dit is een groepje van allemaal verschillende soorten experts die lokaal jongeren helpt met problemen die niet ‘dringend’ genoeg zijn voor de jeugdzorg. Tot 2015 was dit allemaal landelijk geregeld, maar toen kwam de beruchte decentralisatie...<!--StartFragment -->De decentralisatie van de jeugdzorg zorgde ervoor dat de jeugdzorg niet meer landelijk werd geregeld, met een paar regionale afdelingen, maar dat de meenten alles gingen regelen. De regering zei dat de gemeenten het beter konden regelen, maar eigenlijk was er sprake van een bezuiniging.

De gemeenten moesten voortaan zelf de jeugdzorg regelen. Natuurlijk is dit vrijwel onmogelijk om per gemeente even los te regelen, dus landelijk zijn er jeugdzorgregio’s, zoals de eerder genoemde GRJR, die samen de zorg laten doen door aanbieders. Pleegzorg wordt dus bijvoorbeeld gedaan door aparte organisaties, terwijl het halen van kinderen uit onveilige situaties wordt gaan door de Jeugdbescherming Rotterdam-Rijnmond (JBRR). Je raadt het nu al, dit is een warboel van allemaal verschillende organisaties die met elkaar moeten samenwerking met één hetzelfde doel: het kind helpen.

Opzet scriptie

Laat me nu even een moeilijk begrip introduceren: collaboratieve governance<!--StartFragment -->Collaboratieve governance: een overheidsvorm waarin de overheid organisaties van buitenaf taken laat uitvoeren. In de westerse wereld is dit in de meeste sectoren nu de standaard. Hierdoor is de overheid vaak niet bezig met zelf beleid uitvoeren, maar met het aansturen van deze losse organisaties.<!--EndFragment --> (hierna ga ik het gewoon ‘samenwerking’ noemen). Dit is één van de centrale begrippen in mijn scriptie, maar het betekent simpel gezegd dat de overheid andere organisaties een deel van hun taken laat doen, zoals dus gebeurt met de verschillende taken in de jeugdzorg. Doordat dit wordt gedaan moeten al deze organisaties dus goed met elkaar samenwerken, want ze hebben nog wel hetzelfde doel. Hier zitten allemaal modellen achter hoe het ‘ideaal’ zou moeten werken, wat eigenlijk neerkomt op dat ze dezelfde principes moeten hebben, samen gemotiveerd moeten zijn en samen genoeg middelen moeten hebben om ook écht iets te kunnen doen. Hoe beter deze drie dingen gaan tussen de organisaties, hoe beter de ervaring van het beleid is!

Oké, we hebben nu een verband (betere samenwerking tussen organisaties = beter beleid). Dit spreekt voor zich. Maar ik heb een extra factor toegevoegd die dit verband beïnvloedt! De factor is 'continuïteit.'<!--StartFragment -->Continuïteit: alles blijft ongeveer hetzelfde. In de (jeugd)zorg is er continuïteit in het beleid als de hulpverleners elkaar snappen en ook elkaars context kunnen begrijpen. Dit begrijpen van elkaars context heet 'boundary crossing.'<!--EndFragment --> Die is er niet zomaar. Ik vond namelijk in artikelen dat continuïteit in de gewone zorg kan ontstaan als personen elkaars context begrijpen. Iedereen heeft namelijk een andere context (denk aan je achtergrond, ervaringen en denkbeelden), dus vaak begrijpen we elkaars context niet. Op plekken als in de zorg kan dit ervoor zorgen dat verschillende artsen voor verschillende acties kiezen, wat natuurlijk vervelend is voor de patiënten: dit is discontinuïteit. Continuïteit ontstaat dus als mensen elkaar begrijpen, waardoor ze allemaal dezelfde keuzes kunnen uitstralen. Mijn theorie was dat in de jeugdzorg er niet genoeg continuïteit is, omdat er dus allemaal verschillende organisaties zijn die elkaar (en het kind) niet begrijpen. Dit heeft natuurlijk een negatief effect op het verband van eerder.

Dus, hoe heb ik dit verband onderzocht? Het beste was om jongeren die zelf in de jeugdzorg zitten/ zaten in de regio Rotterdam-Rijnmond te interviewen. Uit lange interviews kon ik namelijk diep zien naar hoe zij die samenwerking ervaren en wat er allemaal achter een goede/slechte samenwerking zit in de jeugdzorg. Het enige probleem was dat jongeren niet alles van de samenwerking tussen organisaties in de jeugdzorg meekrijgen, maar aan de andere kant maakt dat ook niet uit, want het uitgangspunt is tenslotte hoe zij het zelf ervaren.

De resultaten

Oké kleine disclaimer, ik heb in mijn scriptie HEEL VEEL oorzaken gevonden van waarom de samenwerking wel of niet goed werd ervaren. Mijn grootste knelpunt was ook om dit in de scriptie zelf goed te kunnen verwoorden want ik mocht maar 4000 woorden gebruiken voor de resultaten van mijn onderzoek. Ik ga hier gewoon het belangrijkste vertellen.

Om te beginnen met het verband: jongeren zien wel vaak dat organisaties in de jeugdzorg met elkaar samenwerken, maar dit gaat vaak nog niet goed. De rol van continuïteit hierin is een stuk lastiger dan ik dacht: er is niet vaak continuïteit (dus: organisaties begrijpen elkaar vaak niet), maar als die er wel is, is het op een negatieve manier. Meestal zien jongeren in de jeugdzorg één of een paar personen die anders zijn dan de rest, die hun wel opeens een positieve ervaring geven. Laat ik wat dieper op dit alles ingaan!

Om te beginnen met die samenwerking: het is er, maar het gaat niet geweldig. Jongeren zien vaak dat organisaties nog niet genoeg met elkaar afstemmen, waardoor sommige organisaties bijvoorbeeld minder goed bekend zijn met iemands dossier<!--StartFragment -->in de jeugdzorg is er veel papierwerk, dus alle hulpverleners moeten in ieder geval het dossier goed doorlezen als ze met een kind te maken hebben, want alle informatie over het kind wordt hierin verzameld.<!--EndFragment --> dan anderen. Maar wat jongeren eigenlijk nog meer zien is dat de organisaties niet goed met hun samenwerken, waardoor ze zich niet gehoord voelen. Niet heel erg verrassend wordt de ontvangen jeugdhulp in deze gevallen ook als niet goed ervaren. Specifiek gezien ervaren jongeren vaak dat de jeugdzorg hun redt uit een onveilige situatie, maar vervolgens niets biedt om met hun situatie om te gaan. Maar, dit komt niet altijd doordat hulpverleners het zelf niet willen, maar vaker doordat ze het niet kunnen. Bijvoorbeeld door een te kort aan geld of mensen, wat vaak in de politiek wordt genoemd. Maar het komt ook doordat het systeem erg ingewikkeld is, waardoor het zelfs voor een hulpverlener lastig is om iets te regelen.

Hoe zit het dan met de continuïteit? Deze is er, maar niet op een positieve manier zoals in de theorie. Hulpverleners in de jeugdzorg stralen wel eensgezindheid uit, maar dit doen ze door de jongeren op dezelfde manier kinderlijk te behandelen, waardoor de jongeren zich niet gehoord voelen. Dit klinkt heel triest, maar gelukkig is er ook een lichtpuntje: niet alle hulpverleners zijn zo! Bijna iedereen die ik heb geïnterviewd heeft minstens één hulpverlener gehad die op een positieve manier opviel. Anders dan de ‘standaard’ hulpverlener hadden deze personen belangstelling voor wat de jongeren vonden, waardoor ze zich serieus gevoeld vonden en een hechtere band met deze personen hadden. Ook lukte het deze personen vaak om binnen het hele netwerk van alle jeugdzorgorganisaties om écht iets te regelen voor de jongeren. Toch is het zorgwekkend dat zulke personen meer de uitzondering dan de standaard lijken. Ik hoop stiekem dat dit een uitschieter is die toevallig in mijn onderzoek zat, want ik wil er zelf in geloven dat de mensen die in de jeugdzorg werken het beste voor hebben met de kinderen.

Daarover gesproken: ik heb zelf ook ervaring in de jeugdzorg: in totaal heb ik in zes pleeggezinnen gewoond en iets van acht gezinsvoogden gehad. Sommige dingen die in de interviews werden gezegd herkende ik zelf daarom ook. Ik zag met name dat er te weinig naar me werd geluisterd, tenminste door de mensen die op kantoor werkten – mijn pleegouders luisterden juist wel goed naar me. Ik merkte ook dat, hoewel ze echt hun best deden, veel mensen in de jeugdzorg niet veel voor elkaar wisten te krijgen voor me, totdat er na bijna 10 jaar eindelijk iemand was die dat wel lukte.

Op naar een betere jeugdzorg!

Uit mijn scriptie komt naar voren dat de samenwerking in de jeugdzorg vaak nog niet lekker gaat en dat kinderen die in de jeugdzorg zitten zich vaak maar door een klein groepje serieus genomen voelen. Ik kom nu terug op het nieuws waar ik mijn artikel mee begon: het zwaar mishandelde pleegkind uit Vlaardingen. Naar haar was niet geluisterd, maar helaas was zij niet de enige. De jongeren van mijn scriptie, en nog vele andere jongeren in Nederland voelen zich niet gehoord in het systeem van de jeugdzorg.

Dat moet anders, en het kan ook! In mijn scriptie schreef ik drie aanbevelingen op voor de overheid, en die ga ik ook hier herhalen. Als eerste zijn er vaak mensen die wel willen helpen, maar het niet kunnen met de middelen die ze hebben. De overheid moet daarom ervoor zorgen dat hulpverleners deze middelen wel hebben. Ook voelen jongeren zich niet gehoord, wat kan worden opgelost door de jongeren een vertrouwenspersoon of mentor te geven. Zo’n iemand bestaat al, zo is er bijvoorbeeld een Jouw Ingebrachte Mentor (JIM), maar deze vertrouwenspersoon is nog erg onbekend. Ik had er zelf vóór mijn scriptie nog niet van gehoord! Als laatste zijn er dus wel mensen die oprecht naar de jongeren luisteren. Vraag je als overheid eens af hoe het kan dat het zo erg verschilt tussen hulpverleners in hoe ze zich gedragen naar een kind toe, en onderzoek hoe je ervoor kan zorgen dat álle hulpverleners een goede band met het kind krijgen. Een tip hierbij: gebruik ervaringsdeskundigheid. Dit is vaak nog controversieel, maar door naar jongeren te luisteren die zelf door de jeugdzorg heen zijn gegaan krijg je al snel een nieuw perspectief.

Het gaat slecht met de jeugdzorg, ik denk dat we dit allemaal wel weten. Uit mijn scriptie blijkt dat er veel, heel veel, ruimte is voor verbetering. Dit klinkt lastig, maar de eerste oplossingen voor het probleem staan in diezelfde scriptie. Het is mogelijk om het jeugdzorgprobleem op te lossen, alleen moeten we groter kijken dan alleen maar ‘meer geld’ of het sluiten van één onderdeel ervan. En het belangrijkste van allemaal: als we de problemen in de jeugdzorg écht willen oplossen, misschien moeten we dan ook eindelijk gaan luisteren naar degenen die er zelf inzitten. Ik heb een beginnetje gemaakt, nu is de jeugdzorg zelf aan de beurt!