Wie de politiek volgt weet; er wordt vaak gesproken over de gewone Nederlander maar nooit met de gewone Nederlander. De miljoenen praktisch geschoolden, bouwvakkers, verpleegkundige en buschauffeurs in dit land raken steeds meer verwijderd van een politiek die steeds elitairder lijkt te worden. Vreemd genoeg gaat het in de politiek juist over het oplossen van de problemen waar zij het hardst voor nodig zijn. Het is natuurlijk niet de universitair opgeleide Nederlander die het woningtekort, de zorgcrisis en het tekort aan vakmensen op gaat lossen. Ironisch genoeg is er toch nergens in de Tweede Kamer een bouwvakker of verpleegkundige die mee kan beslissen over hoe we deze problemen gaan oplossen. Het lijkt wel een paradox; wie het hardst nodig is, heeft het minst te zeggen. Deze kloof is niet zonder gevolgen, het vertrouwen in de politiek is de afgelopen jaren steeds harder gedaald. In dit stuk kijk ik naar hoe deze kloof is ontstaan, de gevolgen daarvan, en wat wij als partij kunnen doen om de stem van de praktisch geschoolde Nederlander beter te laten horen.

Toen de vakman sprak

In de goede oude tijd was de vakman veel beter vertegenwoordigd in de politiek. 16% van de Tweede Kamerleden had geen diploma uit het hoger onderwijs. Sociaaldemocraat Jan Schaefer en rechtsliberaal Broos van Erp waren misschien lid van verschillende partijen, maar waren beiden banketbakkers. Ook maatschappelijk werksters zoals Siepe de Jong en Magda Berndsen stonden aan het hoofd van ministeries of gemeenten. Een van de redenen waardoor vakmensen beter vertegenwoordigt werden in de Kamer was de nauwere band die partijen met de vakbond hadden. In 1960 hadden 29 Kamerleden een achtergrond in de vakbeweging, nu zijn dat er een stuk minder. Kamerleden zoals Paul Rosenmöller heeft een leven achter de rug als arbeider en vakbondsleider, waardoor hij nauw verbonden is met de arbeiderswereld.

Het contrast met de samenleving is nu veel groter, slechts 7% van kamerleden heeft op het MBO gezeten, terwijl 90% van de kamer theoretisch opgeleid is. De situatie is niet veel beter op lokaal niveau. In de gemeenteraad van onze grootste stad, Amsterdam, heeft slechts één raadslid een mbo-achtergrond. Wie in deze stad in de bouw of zorg werkt, herkent zichzelf nauwelijks terug in de raadszaal. Ondervertegenwoordiging is ook een probleem op provinciaal niveau, 85% van de Statenleden is theoretisch opgeleid. De Waterschappen vormen een interessante uitzondering, 25% van de waterschap bestuurders heeft een mbo-achtergrond. De cijfers laten zien dat praktisch geschoolden nauwelijks vertegenwoordigt zijn in onze landelijke en lokale politiek, maar waarom eigenlijk?

Is het parlementaire woordenboek zoek?

De ondervertegenwoordiging en vervreemding die praktisch geschoolde Nederlanders ervaren heeft niet maar één specifieke oorzaak. Eén welbekende oorzaak is het taalgebruik van politici, vooral binnen de Tweede Kamer. Een goed voorbeeld was Timmermans zelf, die regelmatig woorden als ‘modus operandi’ gebruikte. Ik denk dat de gemiddelde Nederlander geen idee heeft wat deze woorden betekenen. Het gebruik van dit soort complexe taal is absurd als je bedenkt dat 30% van onze bevolking onder B1 taalniveau zit! Dit is het niveau waarin de meeste kranten en overheidsbrieven worden geschreven. Zelfs voor de Nederlander die op B1 niveau kan lezen is het taalgebruik van politici vaak te ingewikkeld.

Het is niet zo vreemd dat praktisch geschoolden steeds meer op rechtse politici zijn gaan stemmen, hun taalgebruik is makkelijker te begrijpen dan dat van linkse politici. Praktisch geschoolden voelen zich bovendien ook veel minder thuis binnen een politieke partij, maar dit komt niet door hun opleidingsniveau zelf. Er wordt vaak gedacht dat ze minder snel lid worden van politieke partijen omdat ze ‘lageropgeleid’ zijn, maar dat klopt niet. Wat wel klopt, is, is dat het sociaal kapitaal en sociale netwerk enorm bepalend is in wie zich aansluit bij een politieke partij. We leven nog steeds in een verzuild land, alleen nu zijn is opleidingsniveau de belangrijkste scheidslijn. Praktisch geschoolden leggen vaker contact in de buurt dan op werk, terwijl theoretisch geschoolden elkaar meestal op werk ontmoeten, wat leidt tot verdere segregatie.

Er is nog een belangrijke oorzaak die ik graag zou willen benoemen; wijzelf. Onze partij(en) bestaan voornamelijk uit ‘hogeropgeleiden’, het landelijk bestuur van DWARS en het lokaal bestuur in Utrecht is bijvoorbeeld volledig samengesteld uit ‘hogeropgeleiden’. Dat is niet ideaal voor een vereniging die zo inclusief mogelijk wil zijn. Deze combinatie van netwerken en partijstructuren draagt bij aan de systematische ondervertegenwoordiging van praktisch geschoolden.

Theoretisch opgeleiden hebben nu eenmaal een in-group bias; een voorkeur voor eigen groep. Wat opvallend is, is dat praktisch geschoolden zelf geen last hebben van deze in-group bias; wanneer ze de kans krijgen baseren ze hun politieke voorkeur op competentie in plaats van opleidingsniveau. Toch houden vele vast aan een vals wereldbeeld waarin alleen theoretisch geschoolden geschikt zijn als volksvertegenwoordiger. Er zijn toch echt verschillende studies die laten zien dat deze aanname niet klopt, praktisch geschoolden doen het niet slechter als volksvertegenwoordigers, zie bijvoorbeeld ‘What Good Is a College Degree? Education and Leader Quality Reconsidered’.

Meer volksvertegenwoordigers, minder boekhouders

Uit recent onderzoek blijkt dat het vertrouwen van praktisch geschoolden in de politiek zeer laag is, en dat praktisch geschoolden zich vervreemd voelen. Eén op de vijf praktisch geschoolden gaat niet stemmen tijdens de verkiezingen, terwijl onder theoretisch geschoolden minder dan 4% thuis blijft. Dit verschil is geen toeval. Praktisch geschoolden hebben veel minder invloed op overheidsbeleid dan theoretisch geschoolden. Dat dit nu eenmaal zo is is niet verrassend, maar ondermijnt de legitimiteit van onze democratie. Er zullen mensen zijn die hier weinig moeite mee hebben, als universitair opgeleiden maar de baas zijn. Jort Kelder pleit zelfs voor het afschaffen van het algemeen kiesrecht. Andere, meer gematigde stemmen, pleiten voor alleen theoretisch opgeleiden als volksvertegenwoordigers. De meritocratie waar ze voorstander voor zijn is een ‘heerschappij van de ‘slimste’’, maar dat is toch echt wat anders dan democratie, ‘heerschappij van het volk’. Bovendien betwijfel ik of meritocratie er echt voor zorgt dat de beste mensen ons besturen en vertegenwoordigen.

We hebben vaak genoeg gezien hoe goedbedoelde wetten die op papier alleen positieve gevolgen zouden hebben in de praktijk tot verschrikkelijk leed hebben geleid. De toeslagaffaire is een berucht voorbeeld, maar ook de participatiewet, die in de praktijk gewoon niet werkt. Er heerst een patroon binnen de politiek, waarin praktijkblinde hoogopgeleiden wetten opstellen zonder enige inspraak van de mensen die het meest geraakt zullen worden door deze wetten. Dit zorgt voor verdere vervreemding, want praktisch geschoolden worden niet als burgers, maar als onderdanen behandeld.

Zoek de timmerman uit

De verpleegkundige, bouwvakkers, elektrotechnici, en alle andere praktisch geschoolden die onze samenleving staande houden herkennen zichzelf nauwelijks in de politiek. En geef ze eens ongelijk. Dat er zo weinig praktisch geschoolden binnen de politiek actief zijn is niet te verwijten aan een lager denkniveau, of een gebrek aan verantwoordelijkheid. Het is het gevolg van een systeem dat universitair geschoolden het zo makkelijk mogelijk maakt om politiek actief geworden. Het doorbreken van dit patroon wordt niet makkelijk. Er moeten stappen worden genomen om de politieke participatie van praktisch geschoolden binnen de politiek te versterken. Burgerraden, correctieve referenda, een opkomstplicht en minder vakjargon zijn ongetwijfeld goede stappen die we kunnen zetten om dit probleem te verkleinen.

Maar uiteindelijk moeten we als partij erkennen dat inclusie verder gaat dan alleen kleur, en dat diversiteit in opleiding een essentieel ingrediënt is in het brouwen van een volkspartij. Groepen die systematisch bevoordeeld worden, hebben een morele plicht om de hand uit te reiken aan groepen die het slechter hebben. Als wij als partij een beetje meer moeite doen om praktisch geschoolden erbij te betrekken, zijn we al een eind op weg. Onze huidige lijst was nu niet bepaald een baken van inclusie. Niet een van de top 30 kandidaat-Kamerleden had een achtergrond in het MBO. Het is moeilijk te geloven dat wij, een partij van meer dan honderdduizend leden, geen enkele geschikte MBO’er voor de top 30 kunnen vinden. Ik denk dat een lijst met vakmensen een goede eerste stap is naar een inclusievere partij, die MBO’ers waardeert en erkent.