Heb je ooit de klassieke film ‘Newsies’ gezien? Krantenjongens overleven het kille negentiende-eeuwse New York door kranten te verkopen voor een kwartje. Maar wanneer de bazen van de New York World C Journal, de beruchte Joseph Pulitzer en Randolph Hearst ontevreden worden met hun (al torenhoge) winsten en de prijs van de World en Journal verhogen, word overleven van het al magere loon onmogelijk voor de krantenjongens van New York. Maar kijken de krantenjongens moedeloos toe terwijl hun kwartje wordt afgepakt? Nee. ze gaan staken, en met veel succes ook! Maar hoe kwam de staking van de krantenjongens tot stand? Hoe voerden zij actie tegen Pulitzer en Hearst? En kregen ze uiteindelijk hun kwartje terug?

Hét begin van de sensatiepers

Joseph Pulitzer, geboren in een klein dorpje in het Hongaarse Rijk, was een van de invloedrijkste figuren in de opkomende Amerikaanse journalistiek. Zelfs nu, een eeuw na zijn dood, is het winnen van een Pulitzerprijs iets waar elke literatuurstudent van droomt. Maar toch kent het vaak kleurrijke plaatje dat van Pulitzer wordt geschetst een andere kant: da mvan een meedogenloze kapitalist. In 1883 kocht Pulitzer de ‘New York World’ en transformeerde hij de journalistiek voorgoed. Hij pionierde een nieuwe manier van journalistiek bedrijven die bekend kwam te staan als gele journalistiek. De pakkende headlines, sensationele verhalen en halve waarheden die hij verkocht werden razend populair, want wie wil nou niet alle pikante details van het seksschandaal van de al 33 jaar gehuwde senator? Pulitzer was echter niet de enige publicist in New York die gebruik maakte van deze nieuwe manier van ‘journalistiek’ bedrijven: zijn grote rivaal William Hearst, fanatiek nazi en eigenaar van Amerika’s grootste mediabedrijf, nam veel van Pulitzers tactieken over voor zijn eigen krant, de New York Journal. De New York World en Journal waren dé kranten van New York. New Yorkers van alle klasse lazen ze, van fabrieksarbeiders tot rijkelui. Pulitzer en Hearst waren geliefde figuren, en werden geprezen als klokkenluiders die de misdaden van de New Yorkse elite blootlegden. Maar uiteraard behoorde zij zelf tot deze elite, hun verdienmodel was gebaseerd op uitbuiting en leed. Voornamelijk dat van duizenden arme kinderen, soms jonger dan 10 jaar oud. Deze wezen en arme migranten stonden elke dag met de opbrengst van gisteren voor de depots waar de kranten in bundels werden verkocht, klaar voor een dag waarin de opbrengst zou bepalen of ze nou wel of niet s ‘avonds met honger naar bed zouden gaan.

Zo verkoop je de waarheid

In 1898 kregen Pulitzer en Hearst een schat aan nieuws: een Amerikaans oorlogsschip explodeerde in de haven van Havana, Cuba. De precieze oorzaak van de explosie was onbekend en waarschijnlijk niets meer dan een ongelukkig incident. Toch wisten Pulitzer en Hearst de explosie van het schip ‘De Maine’ uit te buiten voor hun eigen gewin, met headlines als ‘Herinner de Maine! Naar de hel met Spanje!’ stookte ze de oorlogslust van het Amerikaanse publiek en wijste ze het Spaanse rijk aan als hoofdverdachte van de explosie. Twee maanden later brak de Spaans-Amerikaanse oorlog uit, en met deze oorlog kwamen nog meer pakkende verhalen, vele van hen zo overdreven dat het klinkklare leugens waren. Met halve waarheden, sensationele headlines en dramatische verhalen schoot de verkoop van de World en Journal omhoog. Pulitzer en Hearst boekten enorme winsten door te toename in verkoop, maar dit was niet genoeg voor hen, ze verhoogde de prijs van hun kranten voor nog hogere winsten. Deze prijsstijging konden de krantenjongens tijdelijk konden compenseren met de toename in verkoop. Maar toen acht maanden later de Spaans-Amerikaanse oorlog officieel eindigde, en de verkoop van de World C Journal daalde, kwamen Pulitzer en Hearst met innovatieve manieren van uitbuiting om hun verhoogde winsten te behouden. Ze weigerden, in tegendeel tot andere publicisten, de prijs van de World C Journal te verlagen, en dit was niet de enige graaimaatregel die de twee invoerden. De krantenjongens konden voorheen gebruikmaken van een zwak sociaal vangnet; de kranten die zij niet wisten te verkopen verkochten ze terug aan de depots om ze de volgende dag opnieuw te verkopen. Maar toen Pulitzer en Hearst een eind maakten aan de terugkoopregeling, stortte de al magere sociale zekerheid van de krantenjongens volledig in.

De prijs van de sensatiepers

De hebzucht van Pulitzer en Hearst zorgde voor veel onrust. Op negentien juli kwamen honderden krantenjongens uit Manhattan bijeen in City Hall Park. Ze kondigden een staking aan tegen Pulitzer en Hearst. Een dag later werden wagens met krantenbundels verwoest door een grote menigte van krantenjongens uit Long Island, en in een paar dagen tijd kwamen ook de krantenjongens van Brooklyn en Harlem in actie tegen de graaimaatregelen van Pulitzer en Hearst. De staking werd een groot obstakel voor de mediabedrijfen van Pulitzer en Hearst, niet alleen omdat de krantenjongens werk weigerden, maar ook omdat ze een sterk underdog-narratief hadden waar veel New Yorkers mee sympathiseerde. Pers en politici spraken hun steun uit voor de stakende krantenjongens, en de staking groeide uit tot een geoliede machine: er werden commissies aangewezen om krantenwagens tegen te houden, en de krantenjongens gebruikten zelfs geweld tegen zogenaamde ‘scabs’: krantenjongens die weigerden om het werk neer te leggen en doorgingen met het verkopen van de Journal en World. Ongeacht wat je van deze tactieken vindt, waren ze zeer effectief. De krantenjongens weigerden niet alleen te werken, maar organiseerden zich, verdeelden taken onderling en blokkeerden het verkeer om meer aandacht te krijgen voor hun zaak. Zonder de duizenden krantenjongens stortten de winsten van Pulitzer en Hearst in, ook omdat de krantenjongens niet alleen stonden in hun strijd voor een eerlijk loon. Pulitzers rechterhand merkte een paar dagen na de staking op dat het publiek zich tegen Pulitzer en Hearst had gekeerd. De staking ging van een arbeidsconflict naar een morele strijd en de krantenjongens veroverde het hart van de inwoners van New York. Wat begon als een staking groeide uit tot een brede publieke boycott. Op 24 juli kwamen de stakende krantenjongens bijeen in Irving Hall, wat begon met een kleine opstand groeide tot een stakingsbijeenkomst van meer dan 5000 krantenjongens. De staking maakte een grote indruk op politici en vakbondslieden; ze spraken de krantenjongens toe en spoorden ze aan om de staking vol te houden totdat Pulitzer en Hearst toegaven en de graaimaatregelen terugdraaiden. Toch bleek een langdurige staking moeilijker dan gedacht, mede omdat de verschillende leiders van de staking, zoals Kid Blink en David Simmons, zich terugtrokken vanwege beschuldigingen van omkoping. Op 1 augustus sloegen Pulitzer en Hearst terug. Na twee weken staken, boycotten en protesteren sloten Pulitzer en Hearst een compromis met de aanvoerders van de staking. De meeste krantenjongens waren echter ontevreden met het compromis, maar konden moeilijk weerstand bieden. En hoewel de krantenjongens een deel van hun rechten terugkregen, verloren ze hun vakbond.

1899 is nog niet voorbij!

De 1899′ staking van de krantenjongens is hét voorbeeld van wat wij jongeren kunnen bereiken als we ons organiseren en niet laten kleineren door de macht van het grote geld. Nu meer dan ooit hebben wij deze voorbeelden nodig. Met de afbraak van onze sociale zekerheid door het kabinet Jetten I is een strijdbaarheid harder nodig dan ooit. We weten dat het kan, want al was de staking van de krantenjongens niet de aanzet tot een socialistische utopie, was het zeker revolutionair. De actiegolf van de vakbeweging tegen het afbraakbeleid is dé kans voor jongeren om te bewijzen dat wij net zo strijdbaar zijn als de krantenjongens van New York; laten we het heden opeisen en de toekomst van ons maken!