In het boek van filosoof Michael Humeur genaamd “The problem of political authority”Vertaald: het probleem met politieke autoriteiten argumenteert hij voor een anarcho-kapitalistische samenlevingEen samenleving zonder staten en regels voor het kapitalisme. De eerste helft van het boek gaat dan ook over wat hij “Het probleem van politieke verplichting” noemt.
Het probleem noemt hij als volgt: stel iemand in je wijk heeft mensen ingehuurd om allerlei dingen in de wijk te doen zoals het opsluiten van criminelen, het opzetten van kunstprojecten en gezondheidszorg. Na afloop belt hij bij je aan om geld te vragen en dreigt met een straf als je dat niet doet. Hij heeft namelijk geld nodig voor het personeel dat hij heeft ingehuurd en jij haalt voordelen uit hun werk, zoals veiligere straten. Overduidelijk doet deze man iets verkeerd en heb je geen morele plichtMorele plichten gaan over wat goed is om te doen. Daarbij hoeft het niet zo te zijn dat de wet volgen het goede is, soms zijn er belangrijke redenen om dat niet te doen.om hem te betalen. Maar de vraag is: waarom mag de staat dit wel en een persoon niet?

Er zijn heel veel mogelijke antwoorden op dit probleem en filosofen hebben verschillende theorieën uitgewerkt. Ik ga drie van deze theorieën behandelen en uitleggen waarom ik denk dat ze niet succesvol zijn. Maar dat betekent niet dat ik alle opties heb gehad.

Gevolgen-theorieën

Volgens gevolgen-theorieën, ook wel consequentialistische-theorieën genoemd, hebben we de plicht om de wet te volgen omdat dat goede gevolgen heeft.
Alleen geeft dat geen reden voor één persoon om een specifieke wet te volgen. Neem bijvoorbeeld een wet waarbij SUV’s worden verboden vanwege hun uitstoot. Natuurlijk zou deze wet een groot verschil maken in de CO2-uitstoot van de samenleving. Maar jouw eigen bijdrage maakt maar een klein verschil. Zo klein, dat het mogelijk betere gevolgen heeft als je door blijft rijden: jij wordt er namelijk gelukkig van.

Een eerste reactie zou misschien zijn: “Maar wat als iedereen zich niet aan de wet gaat houden?”. Humeur geeft hier een simpel voorbeeld voor: stel je wil een wiskunde docent worden. Hierop zou de reactie “Maar wat nou als iedereen dat zou doen?” ongeldig zijn omdat we weten dat niet iedereen dat ook echt gaat doen. Hetzelfde geldt voor het volgen van de wet, we weten immers dat de meeste mensen het wel gaan doen.

Eerlijkheids-theorieën

Misschien moeten we niet op een gevolgen-theorie manier denken, maar focussen op het idee van eerlijkheid. Neem bijvoorbeeld een hockeyclub die in geldnood zit waarbij het besluit wordt genomen dat de paar honderd mensen die bij de club zitten allemaal geld gaan ophalen om de club te redden. Als Ben hier niet aan mee helpt en vervolgens nog steeds naar de club gaat, zouden we dat oneerlijk vinden. Hij maakt gebruik van de club zonder eraan bij te dragen.

Dit is de kern van de Eerlijkheids-theorie die als eerste genoemd werd door H.L.A. Hart. Maar ik zal zijn idee aanpassen voor dit artikel. Het idee is dat als een aantal mensen een gezamenlijk project hebben, dan is iedereen die voordelen uit het project haalt verplicht om eraan bij te dragen. Natuurlijk moet dit wel een moreel goed project zijn. Als het een kwaadaardig project is of als de lasten oneerlijk worden verdeeld, hoef je niet mee te doen. Maar het project hoeft niet perfect te zijn. Als je bijvoorbeeld één slechte hockeyles krijgt, is het niet zo dat je niet meer voor je lidmaatschap hoeft te betalen.

Een probleem van de Eerlijkheids-theorie

Een beroemd kritiek op de Eerlijkheid-theorie komt van Robert Nozick. Stel, er wordt in je wijk elke avond een muziekshow georganiseerd waarbij elke week iemand anders het organiseert zodat de taken eerlijk verdeeld zijn. Als jij dan vanuit je raam meeluistert haal je er misschien wel voordeel uit maar ben je niet verplicht om zelf ook een week de muziekshow te organiseren. Er is dus niet gelijk een plicht om te helpen als je voordeel haalt uit een gezamenlijk project.

We moeten dus echt actief de voordelen accepteren of op een andere manier actief deelnemer zijn van een gezamenlijk project. Als je beslissingen hebt mogen nemen over de opbouw van de muziekshow en elke avond ernaar toe gaat zou je wel verplichtingen hebben. Het probleem is echter dat de staat precies een project is waarbij we nooit actief hebben meegedacht. Onze situatie lijkt dus op het geval van Nozick.

Theorieën met meerdere principes

We kunnen ook de net besproken theorieën combineren in een ‘Meerdere principes theorie’. Het probleem is natuurlijk dat het moeilijk te zien is hoe een theorie met meerdere theorieën moet werken als de theorieën los van elkaar niet werken. Laten wij bijvoorbeeld kijken naar George Klosko.

Klosko gebruikt verschillende theorieën om de verschillende taken van de staat te verantwoorden. In het schema staan ze hier van links naar rechts, van de basistaken, die nodig zijn om de staat überhaupt te laten werken, zoals defensie en wegen, tot aan de diepgaande taken, zoals het helpen van de armen en kunst. In elke stap komt op een manier democratie voor.

Stap één: de Eerlijkheids-theorie

Klosko’s eerste stap kan het beste uitgelegd worden als een reactie op het probleem van Nozick.
Ter herinnering, we hebben van Nozick geleerd dat we op de een of andere manier betrokken moeten zijn bij het project. Door bijvoorbeeld te beloven om te helpen of vrijwillig en bewust de voordelen te accepteren. In het geval van de staat hebben we dat dus niet gedaan.

Klosko denkt dat die betrokkenheid niet nodig is als de taken maar belangrijk genoeg zijn. Sommige dingen zoals schone lucht en veiligheid zijn nodig om te leven. Omdat het hier gaat over gigantische projecten die we niet in ons eentje kunnen doen, hebben we een staat nodig die het voor ons regelt. Welk recht heb je dan om te klagen als je wat terug moet geven voor het werk dat de mensen hebben gedaan om dat te regelen?

Hier nog een vergelijking om het idee te begrijpen. Stel je wordt aangevallen door iemand en je bent in levensgevaar. Iemand springt bij om je te helpen maar hij raakt daardoor wel gewond en moet naar het ziekenhuis. In dat geval is het niet gek dat je wat terug moet doen voor hem en de moeite die hij heeft gedaan, zoals de rekening van het ziekenhuis betalen. Zelfs als je diegene niet hebt gevraagd om je te helpen; het feit dat die je heeft geholpen geeft genoeg reden om iets terug te moeten doen.

Natuurlijk gelden de ideeën van de Eerlijkheids-theorie nog steeds. De kosten moeten eerlijk verdeeld zijn en de winst moet hoger zijn dan de kosten. Hoe je de kosten eerlijk verdeeld is een lastige uitdaging. Deze problemen moeten volgens Klosko democratisch worden opgelost. Democratie heeft hier dus een kleine rol. Het kan niet alles bepalen maar het moet redelijk eerlijk zijn.

Stap twee, drie en vier: Het indirecte argument, de plicht van wederzijdse hulp en de tweede fase van de Eerlijkheids-theorie

Vanuit deze theorie kunnen we door naar stap twee. De basistaken van de staat zorgen voor meer taken. Neem de basistaak defensie. Sporen en wegen hebben we nodig voor goede defensie. Ook hebben we goede scholen nodig voor defensie en het behoud van de publieke gezondheid. Dit noemt Klosko het indirecte argument; deze taken zijn indirect nodig om de basistaken uit te voeren. Hier wordt ook weer democratie gebruikt om te bepalen welke taken dit precies zijn.

Natuurlijk gaat het takenpakket van de staat nog verder dan dat. Hoe kunnen we verplicht worden om bij te dragen aan taken die niet direct nodig zijn om te blijven leven, zoals het verdelen van geld, de economie regelen, het tegengaan van inflatieinflatie is het minder waard worden van geld. Vaak merk je dit doordat prijzen stijgen of kunst?

Ten eerste hebben we de plicht van wederzijdse hulp. Volgens Klosko zijn we verplicht om mensen te helpen als het ons niet te veel kost. Als we voor weinig geld iemands leven kunnen redden, dan hebben we ergens van binnen sterk het gevoel dat we dat moeten doen. Op deze manier kunnen we bijvoorbeeld geld dat naar arme mensen gaat verantwoorden. Hoeveel dat precies moet zijn is niet makkelijk te bepalen en moet dus democratisch besloten worden.

Ten tweede kan dit door de tweede fase van de Eerlijkheids-theorie. Het idee is zo: nu we een al een staat hebben die al allerlei basistaken doet, mag het een systeem maken waarin we democratisch kunnen beslissen over wat goed is voor iedereen. De extra taken die de staat krijgt is als een pakketje. Sommige taken zijn nuttig voor je, sommige taken niet. Het is bijna onmogelijk om iedere losse wet in het voordeel van iedereen te maken. Natuurlijk is het hier ook belangrijk dat iedereen zijn zegje kan doen, dat de lasten en voordelen eerlijk verdeeld worden en dat de wet ook echt in het algemeen goed is.

Tegenhangers

Er zijn allerlei mensen die kritiek hebben op de staat. Als de kritiek terecht is komen volgens Klosko onze verplichtingen naar de staat te vervallen. Als bijvoorbeeld de staat niet alle basistaken van stap één kan leveren of als in stap vier een pakket van wetten wordt gemaakt dat in niemands voordeel is. Maar dit zal in een goed lopende staat niet snel voorkomen.

Het zou natuurlijk ook kunnen dat iemand een probleem heeft met een specifieke wet. Als iemand bijvoorbeeld bezwaar heeft tegen geld naar de kunsten omdat diegene er geen voordeel uit haalt of omdat die kunst stom vindt. Maar de voordelen uit stap vier komen in een pakket, er zijn voordelen waar anderen wat aan hebben, maar jij niks. Dit kan ook de andere kant op. Iedereen is verplicht om bij te dragen zodat iedereen wat voordelen heeft. Hierbij moet ook gezegd worden dat als een wet echt voor niemand iets oplevert, je verplichting naar wie wet komt te vervallen maar dat betekent natuurlijk niet dat je verplichtingen naar alle wetten van het pakket vervallen.

Kritiek

We hebben nu het systeem van Klosko uitgelegd en kunnen over naar kritiek. Het probleem begint al bij stap één. Je kan het argument maken dat je niet mee wil betalen omdat je geld ergens anders meer goeds kan doen. Door het bijvoorbeeld aan een goed doel te geven. Dit kan doordat het eerlijkheidsprincipe niets zegt over de gevolgen van je acties. Het is goed om je verplicht te voelen om iets terug te geven voor de mensen die het werk hebben geleverd om je veilig en gezond te houden. Maar waarom zou je wat voor ze terug doen als het nauwelijks goede gevolgen heeft?

Een vergelijking om het punt te begrijpen: stel je bent enorm arm tot op het punt dat je niet goed kan leven. Iemand geeft je geld voor de dingen die je absoluut nodig hebt. Later wanneer je situatie is verbeterd en je een stuk rijker bent, vraagt degene die jou geld heeft gegeven voor een bijdrage aan een project dat misschien zelfs in jouw voordeel is. Je bijdrage zou echter weinig doen voor dat project maar als je het aan een goed doel zou geven zou je wel een grote impact kunnen maken. Het lijkt erop dat je in dit geval niet de plicht hebt om het aan diegene te geven maar dat je het beter aan het goede doel kan geven. Ook al ben je misschien iets verschuldigd aan die ander, het lijkt toch belangrijker dat je acties ook echt gevolgen hebben.

Conclusie

Het is erg moeilijk om een succesvolle theorie van politieke verplichtingen te vinden. Klosko geeft een goede reactie op Humeur maar ik denk uiteindelijk niet dat zijn theorie zonder fouten is.

Uiteindelijk zijn er geen politieke verplichtingen omdat de plicht om je geld in te zetten op een manier die echt invloed heeft sterker is dan de plicht om je belasting te betalen als het niet nuttig terecht komt. In theorie kun je dus het beste de wet breken door het aan een goed doel te geven. Maar is dit nou uiteindelijk een goed argument voor anarchisme? Zien we de rol van de staat verkeerd? De rol van de staat is anders dan die van één persoon. De staat moet er echt voor zorgen dat de belangrijke taken worden uitgevoerd. Als ik stop met geld geven aan de staat verandert er niks maar als de staat stopt met geld ophalen stort alles in. Maar we kunnen wel kritisch zijn over de taken uit stap drie en vier sinds mensen worden verplicht om geld uit te geven op een manier die niet de beste gevolgen heeft.