Terwijl het stof van de landelijke verkiezingen nog nauwelijks was neergedaald, stond het kabinet-Jetten al op het bordes. Hoe is dat mogelijk, in slechts drie maanden tijd? In plaats van de moeite te doen om een klassieke meerderheidscoalitie te vormen, besloot Jetten niet te kiezen tussen links en rechts. Het kabinet zoekt nu per onderwerp steun in het parlement.

Voorstanders verwijzen daarbij naar het Deense model van blokpolitiek. Minderheidsregeringen functioneren daar al decennialang. Waarom zou dat in Nederland niet kunnen? Maar wie beter kijkt, ziet dat dit kabinet nauwelijks iets met blokpolitiek te maken heeft. Het lijkt eerder een manier om moeilijke keuzes voor zich uit te schuiven dan een bewuste institutionele keuze van de eerste D66-premier. Waarom dat zo is, leg ik in dit artikel uit.

Wat blokpolitiek werkelijk inhoudt

Het kernidee lijkt simpel: politieke partijen met ideologische verwantschap werken vaker met elkaar samen. Maar in een écht bloksysteem gaat het verder dan dat: partijen maken al vóór de verkiezingen duidelijk tot welk blok ze behoren en welke premier ze zouden steunen. Kiezers stemmen daardoor niet alleen op partijstandpunten, maar ook op een mogelijke regeringsrichting. Dat is een belangrijk verschil met Nederland, waar de vraag wie met wie regeert tot na de verkiezingsuitslag onbeantwoord blijft, waardoor politici hier makkelijker wegkomen met vaagheid, zoals Pieter Omtzigt in 2023 en Jetten in 2025.

Het bloksysteem doet denken aan stembusakkoorden. Het verschil is dat blokken geen inhoudelijk dichtgetimmerde coalities zijn: partijen behouden hun eigen programma’s en verschillen soms aanzienlijk van elkaar. Toch spreken zij impliciet af een regering uit hun eigen blok te steunen. Daardoor is al vóór de verkiezingen duidelijk welk blok na afloop het initiatief krijgt. Dat betekent niet dat het daaropvolgende kabinet automatisch een parlementaire meerderheid heeft. Integendeel: minderheidskabinetten zijn in landen met blokpolitiek eerder regel dan uitzondering. Omdat de machtsverhoudingen duidelijk zijn, opereren politici in een stabieler politiek landschap en zijn minderheidskabinetten minder kwetsbaar.

Die voorspelbaarheid van het politieke landschap heeft ook gevolgen voor het gedrag van partijen. Omdat het moeilijker wordt om een regering voortijdig ten val te brengen, verschuift de politieke strategie. Oppositiepartijen staan voor een keuze: wie wil blijven opvallen, moet meewerken aan beleid, óf vier jaar aan de zijlijn blijven staan.

De institutionele voorwaarden

De stabiliteit van blokpolitiek komt niet alleen voort uit politieke afspraken, het leunt ook op institutionele regels. Een van de cruciale mechanismen die blokpolitiek mogelijk maken, is het negatief parlementarisme. Dat betekent dat een kabinet niet eerst actief het vertrouwen van een parlementaire meerderheid hoeft te verkrijgen. Het kan regeren zolang er geen meerderheid expliciet tegen het kabinet is. Hierdoor hoeven regeringspartijen geen dichtgetimmerd regeerakkoord te sluiten; onderhandelingen verschuiven naar het parlement en meerderheden ontstaan per onderwerp, omdat politieke partijen meer bewegingsruimte voelen.

Negatief parlementarisme gaat vaak gepaard met de constructieve motie van wantrouwen. In landen met dit systeem kan het parlement de regering niet zomaar wegsturen. Wie een kabinet voortijdig wil laten vallen, moet meteen een alternatief kabinet presenteren dat wél een meerderheid heeft. Dat verandert de politieke dynamiek: er ontstaat een sterke prikkel tot samenwerking binnen én buiten politieke blokken. Dat dit mechanisme echt werkt, blijkt uit Duitsland in 1982: toen stapten de liberalen over van de sociaaldemocraten naar de christendemocraten als coalitiepartner, waarna Helmut Kohl tussentijds bondskanselier werd van een nieuwe coalitie.

Een andere institutionele factor is het primaat van één parlementaire kamer. In veel landen met blokpolitiek staat één sterke, direct gekozen Kamer van Volksvertegenwoordigers centraal: het hogerhuis is vaak maar een federale deelstatenkamer met een beperkte rol. Daardoor is het niet noodzakelijk om wetgeving langs beide kamers te sturen. Dat lijkt een technisch verschil met Nederland, maar is cruciaal voor succesvolle blokpolitiek. Anders moet een (minderheids)regering haar beleid door twee kamers heen loodsen, die bovendien op verschillende momenten worden gekozen. Dat maakt stabiel regelen veel ingewikkelder. Dus als wij dit systeem willen overnemen, zou de Eerste Kamer minder bepalend moeten worden.

Waarom Nederland anders is

De institutionele voorwaarden en politieke cultuur die blokpolitiek mogelijk maken zijn in Nederland dus gewoon afwezig. We hebben hier een aantal ‘handicaps’ die de politieke instabiliteit die ons land sinds het begin van deze eeuw kenmerkt in stand houden.

De sociaaldemocraat Ed van Thijn beschreef eind jaren zestig al treffend ons politieke systeem. Nederland, stelde hij, is een waaierdemocratie: een systeem met veel partijen aan de flanken en een smalle bestuurlijke middenzone. Daardoor ontstaat gemakkelijk een tangdemocratie, waarin centrumpartijen van twee kanten (de extremen) onder druk komen te staan. Volgens Van Thijn was gematigde polarisatie middels een verdeling in twee blokken nodig om het systeem bestuurbaar te houden: een penduledemocratie.

Ik denk dat hij enigszins gelijk heeft. Het blok van VVD, CDA en D66 levert al jaren de meeste bewindslieden, met als resultaat steeds zwakker beleid. Tegelijkertijd staat links al jaren buiten de regering: de enige relevante linkse partij heeft al bijna 10 jaar niet meegeregeerd. Om blokpolitiek mogelijk te maken, hebben we duidelijkere machtsverhoudingen nodig. De Eerste Kamer moet niet meer alle wetgeving goedkeuren, en de Tweede Kamer moet daarvoor in de plaats meer leden en veel meer ondersteuning krijgen.

Blokvorming kan in Nederland werken, er is een historisch precedent. Het stembusakkoord Keerpunt ’72 (stembusakkoord van PvdA, D66 en PPR) leidde toen tot het meest linkse kabinet ooit. De Commissie Parlementair Stelsel is voorstander van stembusakkoorden en pleit voor herinvoering, nadat deze mogelijkheid in 2017 werd afgeschaft. Dergelijke blokken verminderen de spanning tussen representativiteit en bestuurbaarheid, wat ons parlement nu zo kenmerkt. Een kiesdrempel wordt dus overbodig gemaakt. Partijen hoeven niet meer te fuseren om macht te vergaren, en kunnen gemakkelijker afgerekend worden op hun prestaties, omdat de kiezer weet dat een andere partij binnen jouw blok constructief zal meewerken.

Het kabinet-Jetten en de illusie van blokpolitiek

Minderheidskabinetten kunnen functioneren, maar alleen wanneer zij ingebed zijn in een systeem met institutionele stabiliteit. Het Nederlandse politieke systeem ontbeert deze stabilisatoren. Het kabinet-Jetten is dus geen voorbeeld van Deense blokpolitiek, maar vooral een manier om politieke keuzes uit te stellen. Als Nederland echt stabiel en representatief wil besturen, is het tijd om blokvorming en de bijbehorende institutionele hervormingen serieus te nemen.